Hans: ‘Werken aan inclusie is worstelen, ploegen en doormodderen’

‘Je stopt mensen met een beperking niet weg in de bossen’, zegt voormalig bestuurder van Pameijer Hans Kröber. Sinds de jaren ’80 strijdt hij al voor een inclusieve samenleving waarin iedereen meedoet. ‘Pionieren in een weerbarstige wereld’, noemt hij het zelf. Ook al is Hans inmiddels met pensioen, hij deelt nog altijd actief zijn visie want ‘we zijn er nog niet.’

Hans deed ooit een vervangende dienstplicht bij een zwakzinnigeninrichting. Hij kwam terecht in zo’n groot gebouw midden in de bossen. ‘Onmenselijk wat ik daar zag. Cliënten woonden er op zalen, moesten naar wc’s zonder deuren en ze waren geïsoleerd van de samenleving. Ik voelde zoveel onrecht. Dat móest anders. Veel meer ondersteunen met de menselijke maat. Maar hoe verander je dat?’, vroeg Hans zich af.

Integratie

Begin jaren ’80 leerde Hans professor Ad van Gennep kennen. Van Gennep liet zich al langer kritisch uit over het effect van grote inrichtingen op de kwaliteit van leven. Hij introduceerde destijds nieuwe begrippen in Nederland, zoals integratie. Daarmee bedoelde hij dat mensen met een beperking echt deel moesten gaan uitmaken van de samenleving. Van Gennep hanteerde drie vormen van integratie. Hans licht ze kort toe: ‘Het begint met fysieke integratie en dat houdt in dat cliënten midden in de samenleving wonen en leven; dus niet meer in de bossen. De tweede vorm is functionele integratie. Dat betekent dat je in de samenleving functionele contacten hebt. Je gaat bijvoorbeeld naar een afspraak met de dokter of je fietst naar een winkel voor je boodschappen. Tot slot is er sociale integratie. Hierbij is sprake van wederkerigheid en cliënten leveren echt een bijdrage aan de samenleving. Bijvoorbeeld door te gaan werken. Ze maken dan echt onderdeel uit van de samenleving en krijgen waardering voor wat ze doen. Deze laatste vorm van integratie heeft zich inmiddels ontwikkeld tot inclusie.’

Goede voorbeelden nodig voor verandering

Grote inrichtingen in de bossen heeft Pameijer nooit gehad. In 1926 had dr. Pameijer al het vernieuwende idee om cliënten kleinschalig en thuis individueel te ondersteunen om zo stap voor stap hun plek in de samenleving te vinden. Kleinschaligheid en menselijkheid zijn er bij Pameijer dus altijd geweest. Toch miste Hans een echt goede visie op het onderwerp inclusie toen hij er in 1984 als stafmedewerker ging werken. Hij kreeg het vertrouwen en de ruimte om die visie te ontwikkelen. Hans: ‘Samen met collega’s, partners en vooral ook cliënten en verwanten zijn we gaan kijken wat we eigenlijk deden om mensen echt serieus te nemen en mee te laten doen in de samenleving. Verdraaid weinig, was de conclusie. Bij dagcentra zijn we gaan praten over hoe het anders kon en - heel belangrijk - hoe we samen een paar goede voorbeelden konden creëren. Verhalen zijn leuk, maar je hebt goede voorbeelden nodig om echt verandering op gang te krijgen.’

‘Als de hele samenleving steeds meer open gaat staan voor inclusie, neemt het ongetwijfeld een steeds grotere vlucht.’

Eyeopener

Die goede voorbeelden kwamen er. Bij verschillende dagcentra zette Pameijer werkprojecten op, zoals een fietsenwerkplaats en een bakkerij. In plaats van de hele dag alleen maar een beetje kleuren en puzzelen, konden cliënten hier aan het werk. Hoewel dat een goede ontwikkeling was, waren het nog altijd op zichzelf staande kleinschalige instituten waren. Van echt deelnemen aan de samenleving was nog geen sprake. ‘Studiereizen naar Amerika brachten daar verandering in’, vertelt Hans verder. ‘We leerden daar dat we niet zelf fietsenwinkeltje en bakkertje moesten spelen. In Amerika werkten cliënten bij echte fietsenzaken en bakkerijen. Een eyeopener voor ons. We namen het idee mee naar Nederland om het op dezelfde manier te gaan doen. Dat was het begin van begeleid werken waarmee we echt een beroep gingen doen op de talenten van mensen.’ Niet alleen voor Pameijer maar voor heel Nederland was de Amerikaanse aanpak een eyeopener. Sociale werkplaatsen en dagbesteding bestonden hier al wel, maar het organiseren van individuele werkplekken bij bedrijven was baanbrekend in de jaren ‘90.

Pionieren met vallen en opstaan

Werken aan een inclusieve samenleving was voor Pameijer jarenlang pionieren met vallen en opstaan. Met ongelooflijk veel energie werden kleine stapjes vooruit gezet. ‘Niet verrassend’, zegt Hans vol realisme. ‘Het was nieuw voor iedereen die er een rol in speelde; collega’s, cliënten, verwanten, andere organisaties en overheidsinstellingen. Toen we serieus begonnen met onze werkprojecten dachten bijvoorbeeld veel ouders dat het niets was voor hun gehandicapte kind. Die kon toch nooit meedoen in zo’n werkproject? Totdat ze met eigen ogen zagen wat er allemaal mogelijk bleek en vooral hoeveel goeds dat met hun kind deed.’

Weerbarstig thema

Zo’n 35 jaar geleden was het begrip inclusie nog onbekend, nu weten de meesten wel waar het voor staat. Hans: ‘Iedereen snapt dat meedoen in de samenleving belangrijk is voor kwaliteit van leven. Contact met anderen en waardering krijgen voor wat je doet, levert mensen trots, zelfvertrouwen en groei op. Dat geldt dus net zo goed voor cliënten.’ Er is echt wel wat bereikt, maar inclusie is een weerbarstige thema waarbij theorie en praktijk nog ver van elkaar af staan. Hans geeft een voorbeeld: ‘We willen mensen met een beperking helpen bij wonen, werken en bouwen aan sociale contacten vanuit hun eigen kracht en talent. Dat klinkt mooi. Dat is het ook. Maar het vraagt vooral iets van de samenleving. Als de deur naar die samenleving niet wijd open zwaait voor cliënten, dan gaat het ze op eigen kracht echt niet lukken.’

Wereld waarin iedereen ertoe doet

Hans blijft hoopvol. ‘Als de hele samenleving steeds meer open gaat staan voor inclusie, neemt het ongetwijfeld een steeds grotere vlucht. Uit eigen ervaring weet ik dat werken aan inclusie worstelen en ploegen is. Niet aanmodderen maar doormodderen, noem ik het wel. We zijn er nog lang niet, dus ik ga door met het delen van mijn visie en inzichten. Ik blijf geloven in een inclusieve wereld waarin iedereen zich welkom weet. Een wereld waarin iedereen ertoe doet.’